Deze website gebruikt cookies. Cookies zijn kleine tekstbestanden die we op uw computer plaatsen om uw gebruiksgemak op onze website te verbeteren. We gebruiken sessie cookies en permanente cookies. Dat doen we om uw voorkeurinstellingen te onthouden en om te weten dat u akkoord ging met het gebruik van cookies. Derden op onze website gebruiken mogelijk ook tracking en nog andere cookies. Klik hier voor ons volledig cookiebeleid en meer info over cookies.
Ik ga akkoord met cookies

Algemeen

Klimaat

Oudere artikelen

De Belgische sociale zekerheid revisited

Deel 4 : Een overgang van het oude model naar het nieuwe

In het schema bovenaan het eerste deel van deze verhandeling werd reeds verduidelijkt hoe ons sociaalzekerheidsstelsel bestaat uit twee vangnetten. Het eerste vangnet dat we het RSZ-net zouden kunnen noemen en waarin begrepen de werkloosheidsuitkeringen, de ziekte-en invaliditeitsuitkeringen, de kindervergoeding, de pensioenen, vakantiegeld enz. En het tweede vangnet is dan het OCMW. Wie dus om één of andere reden door de mazen valt van het eerste RSZ-net komt terecht in het tweede. Dat wil m.a.w. ook zeggen dat bvb. een geschorste werkloze eigenlijk niet echt geschorst wordt maar gewoon op een andere manier een uitkering ontvangt. Ondanks dat dubbele vangnet echter vallen er niettemin nog steeds mensen door de mazen van beiden ervan, met vaak extreme armoede, dakloosheid enz. tot gevolg.

1. Kort samengevat.

De laagste uitkering die er momenteel zowat bestaat is een leefloon voor samenwonenden en bedraagt 620 euro per maand. Stel nu dat we dit laagste inkomen omvormen tot een basisinkomen en waaraan dan verder geen voorwaarden zijn gekoppeld. Dat vervolgens dit basisinkomen dan uitgekeerd zou worden vanuit een derde sociaal stelsel dat nog eens onder het tweede wordt uitgebouwd én van zodra dit in voegen is kan dan begonnen worden met de twee daarboven geleidelijk aan grotendeels af te bouwen.

Een eerste stap komt erop neer om één en ander zo te reorganiseren dat iedereen een deel van zijn huidig inkomen op een andere manier gaat ontvangen ... in de vorm van een basisinkomen in elektronische sociocheques. Dit staat los van het feit of men al of niet economisch actief is en dus een loon of uitkering of pensioen ontvangt. Alles blijft daarbij in eerste instantie voor iedereen hetzelfde wat het rekenkundige eindresultaat betreft. Ook de financiering van dit elektronisch basisinkomen komt neer op het louter verleggen van een aantal geldstromen maar zonder dat er sprake is van een lastenverhoging of verlaging. Op het einde van deze oefening hebben we dan als eerste verdienste dat we de extreme armoede niet verminderd maar volledig uitgesloten hebben en daarmee het eerste land ter wereld zouden zijn dat daar dan prat op kan gaan. Bovendien heeft het niemand iets gekost en hebben we de weg vrij gemaakt om vervolgens het grootste gedeelte van het huidige dure voorwaardelijke apparaat te gaan ontmantelen én waarbij er dan wel winst gemaakt zal kunnen worden aan de zijde van de financiers van dat apparaat.

In een tweede stap ontmantelen we dan stap voor stap grotendeels de twee huidige sociale vangnetten en waarbij de begunstigden ervan terugvallen op het derde dat intussen reeds operationeel is en dat bovendien door de beperktheid van het basisinkomen nog bezwaarlijk een hangmat genoemd zal kunnen worden en zo inherent activerend zal zijn. Dit zal leiden tot een groter aantal actieven en gedeeltelijk actieven en dat gegeven tesamen met het afbouwen van het dure oude administratieve-rompslomp-apparaat én de verlaging van het uitkeringsbedrag zal zich dan vervolgens kunnen vertalen in verlaging van de RSZ bijdragen van de actieven. De daaraan gepaard gaande heropleving van onze economie zal zich vervolgens weer kunnen vertalen in nog meer lastenverlaging. Onze economie bevindt zich momenteel a.h.w. in een wurggreep en deze wurggreep is o.a. dat huidige dure en alle persoonlijke vooruitgang fnuikende sociaal stelsel.

Vooraleer verder te gaan moet er nog even gewezen worden op het feit dat het afbouwen van de andere twee vangnetten kan avanceren naarmate de in deel 3 besproken maatregelen ter verlaging van de levenskost hun impact verder beginnen te sorteren. Maar anderzijds betekent dat ook dat er niet gewacht hoeft te worden tot alle maatregelen uit deel 3 doorgevoerd werden vooraleer met sommige stukken uit deel 4 gestart kan worden. De hervormingen beschreven in deel 3 en deel 4 kunnen a.h.w. door elkaar of simultaan plaats vinden.

2. De dienst basisinkomen en de invoering van het basisinkomen.

De onvoorwaardelijke hoedanigheid van het derde sociaal vangnet maakt dat deze een operationele infrastructuur kan hebben die nagenoeg volledig geautomatiseerd werkt en dus verder een minimaal personeelsbestand nodig heeft om operationeel te kunnen blijven. Er hoeft niet nagekeken te worden wie er wel en wie er geen recht op heeft en wie al of niet aan allerlei voorwaarden voldoet en wie er de juiste formaliteiten al of niet vervuld heeft. Er hoeft ook geen specifiek bedrag uitgerekend te worden voor iedere begunstigde (al naargelang de gezinstoestand bvb.) want het bedrag is universeel en voor iedereen hetzelfde.

De infrastructuur van de dienst basisinkomen bestaat om te beginnen uit een centrale bankrekening ( hier verder CBB genoemd : centrale bankrekening basisinkomen ) waarop d.m.v. elektronische sociocheques volmacht gegeven zal worden aan de begunstigden ten bedrage van de hen toegekende sociocheques. Het meest voor de hand liggende is wellicht om hiervoor samen te werken met Bpost.

Er is een virtueel platform nodig waarop de begunstigden kunnen inloggen. Waar ze hun pincode kunnen aanpassen, verrichtingen kunnen doen. Dit moet mogelijk zijn via een eigen elektronisch devies maar ook via publieke terminals van de banken. Er moeten de nodige regelingen getroffen worden met Banksys, Bancontact e.d. om dit nieuwe betaalsysteem te implementeren in ons moderne betaalverkeer.

Iedere gerechtigde bewoner van ons land krijgt een sociochequebetaalkaart toegestuurd met pincode. Deze betaalkaart wordt vanaf dan de toegang van ieder burger tot zijn of haar sociale zekerheid. Tot het pensioen maar ook tot een eventuele invaliditeitsuitkering, ziekengeld of werkloosheidsuitkering, leefloon, kindergeld, vakantiegeld enz. Eigenlijk bestaat een technisch sterk vergelijkbaar platform ook reeds voor het gebruik van elektronische maaltijdcheques. Het enige verschil met de maaltijdcheques is dat je met de sociocheques behoudens enkele uitzonderingen wel overal zal kunnen betalen en er ook overschrijvingen mee zal kunnen doen.

Wat kan met de sociocheques?

* Betalingen via bancontact of overschrijvingen naar binnenlandse (BE) handelsrekeningen.

Wat kan niet met de sociocheques?

* Cash afhalen. Alles kan enkel elektronisch besteed worden.

* Betalingen of overschrijvingen naar buitenlandse bankrekeningen. Alles blijft zo binnen onze eigen economie. Geen kindervergoedingen dus bvb. meer die in het buitenland terecht komen. Met maaltijdcheques kan men nu trouwens ook al niks doen in het buitenland.

* Overschrijvingen naar binnenlandse particuliere bankrekeningen. Zo kan er geen drugs of prostitutie mee betaald worden.

* Overschrijvingen of betalingen naar binnenlandse handelsrekeningen van bedrijven die gokactiviteiten organiseren.

* Indien we de verkoop van tabak en alcohol beperken tot gespecialiseerde handelszaken dan kan ook de aankoop daarvan verhinderd worden met de sociocheques.

* Er kunnen gaandeweg eventueel nog beperkingen ingebouwd worden om bedenkelijke uitgaven onmogelijk te maken.

* Erven. De sociocheques zijn persoonlijk en kunnen niet doorgegeven worden. Dat is in onze huidige sociale zekerheid niet anders, uitgezonderd het weduwepensioen. Deze mogelijkheid kan behouden blijven door te maken dat het overblijvend saldo van een overledene overgeboekt kan worden op de sociochequerekening van de nabestaande partner.

Financiering.

De Financiering komt er eigenlijk gewoon op neer dat we ervoor moeten zorgen dat er voor elke burger maandelijks een basisinkomen op de CBB gestort wordt en zolang dit het geval is zijn alle automatisch uitgereikte elektronische cheques/volmachten steeds gedekt. We laten dit basisinkomen in het begin storten door die instantie waarvan de burger nu zijn inkomen bekomt. In plaats van die naar de burger te storten wordt dat gedeelte ervan dus voortaan naar de CBB gestort.

Wat de werkenden betreft komt er dus een werknemersbijdrage bij ten bedrage van 620 euro. De werkgever wordt verplicht om deze van het nettoloon af te houden en deze rechtstreeks door te storten naar de CBB. De werkenden krijgen deze onmiddelijk terug toegekend in de vorm van elektronische sociocheques op hun sociochequerekening. Ze krijgen dit loon dus voortaan gewoon op een andere manier.

Alle uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden hun uitkering of pensioen wordt met 620 euro verminderd. Al deze bedragen worden door de RSZ voortaan gestort naar de CBB in plaats van naar de pensioendienst, RIZIV, RVA en alle andere mogelijke diensten ... en de begunstigen ontvangen dit bedrag dus voortaan ook in sociocheques i.p.v. via de respectievelijke diensten. De rest van hun rechten bekomen ze voorlopig nog gewoon verder via deze diensten.

Voor het kindergeld moeten we nog een andere regeling treffen. T.t.z. Het basisinkomen voor volwassenen wordt 620 euro en dat voor kinderen (-18) wordt dan 166 euro ( hetzelfde bedrag als nu). Alles wat dus heden wordt uitgekeerd aan kindervergoeding moet voortaan door de RSZ ook naar de CBB doorgestort worden in plaats van naar de kinderbijslagkassen en die vervolgens dan als eerste al integraal ontmanteld kunnen worden aangezien de ouders hun vroegere kindervergoeding nu ook in sociocheques ontvangen.

Voor elk leefloon dat momenteel wordt uitgekeerd moet eveneens 620 euro bij het CBB terechtkomen vanuit de POD MI. Samenwonende leefloners zullen derhalve al onmiddellijk niet meer bij het OCMW hoeven te zijn maar alle anderen leefloners voorlopig nog wel.

3. De huidige SZ-pijlers integreren in het nieuwe stelsel.

1. Hervorming Sociale bijdragen werknemers en werkgevers.

Om te beginnen moeten we het in deze even eerst hebben over de foute gangbare perceptie in deze. Een werkgever organiseert werk en put zijn winst uit het verschil tussen de productieopbrengst van een arbeider en diens loonkost. Laten we nu zeggen dat een arbeider maandelijks 3500 euro waarde produceert in een bedrijf. En indien die arbeider dan (alles in begrepen) 2500 euro per maand kost dan heeft de werkgever op iedere arbeider 1000 euro winst. Indien de werkgever geen of te weinig winst kan maken op een arbeider dan zal hij die niet aanwerven. Dat bedrijven geen liefdadigheidsinstellingen zijn is uiteraard geen nieuw gegeven.

Alle bijdragen die de werkgever bovenop het brutoloon betaalt worden m.a.w. strikt genomen niet door de werkgever betaald maar wel door de productie van de werknemer en dus door de werknemer. Derhalve maken de werkgeversbijdragen eigenlijk deel uit van het brutoloon van de werknemer. Dat dit wel degelijk zo is wordt ook verraden door het feit dat de zg. werkgeversbijdragen op de loonfiche van de werknemer vermeld worden. Het echte brutoloon is hoe dan ook eigenlijk gelijk aan de loonkost.

D.m.v. één wet kunnen we maken dat alle werkgeversbijdragen (inclusief vakantiegeld en alle andere verplichte werkgeversbijdragen die er nog zijn) dus formeel verdwijnen en dat deze voortaan ook gerekend moeten worden als brutoloon en dat ze daar dan samen met de huidige werknemersbijdragen worden afgehouden. De werkgevers-en werknemersbijdragen op deze manier eerst éénmaken is wenselijk omdat er dan nadien geen discussie kan ontstaan over wiens bijdragen in volgende instantie het eerst in aanmerking moeten komen voor verlaging. Wat de lonen verder betreft en de C.A.O.'s e.d., die gaan gaandeweg en onvermijdelijk toch vanzelf heronderhandeld moeten worden door het implementeren van dit totaal nieuwe sociaal stelsel.

De sociale bijdragen zullen verder altijd in twee delen opgesplitst blijven. Het eerste deel dat we zelf terugkrijgen in sociocheques en het tweede deel dat moet dienen voor de sociocheques van de inactieven en het is dat laatste deel dat we kunnen gaan afbouwen naarmate we de twee oude sociale vangnetten beginnen ontmantelen. Dat tweede deel dan kunnen we in principe nog verder onderverdelen in verschillende bijdragen voor verschillende fondsen ter herverdeling zoals o.a. de pensioenen, de ziekenfondsen, de rva enz. en die hieronder één voor één behandelt zullen worden en waarbij dan onderdeel per onderdeel uiteengezet wordt hoe we ze kunnen afbouwen of minimaliseren. De precieze cijfers of percentages van de afbouw werden achterwege gelaten omdat deze niet te berekenen zijn en ik beperk me er louter toe aan te tonen dat en hoe ze afgebouwd of geminimaliseerd kunnen worden.

2. Het vakantiegeld.

Laten we beginnen met het kleinste en dat is het jaarlijks vakantiegeld. Dit is het enige behorende tot het tweede deel trouwens dat eigenlijk niet echt herverdeeld wordt, want enkel wie vakantiegeld betaalt krijg ook vakantiegeld.

Het enige dat de overheid hoort te doen in deze is zorgen dat de werknemer niet volledig zonder inkomen valt tijdens zijn vakantie. Dat hem m.a.w. ook tijdens zijn vakantiedagen het basisinkomen kan worden uitbetaald. Als de werknemer meer wil dan houdt niets hem tegen om dat zelf te organiseren. Het vakantiegeld wordt momenteel meestal uitbetaald in mei en als de werknemer dat dan opmaakt en in vakantie gaat in augustus dan zit hij dan nog steeds op zwart zaad en dus wordt het doel waarvoor de vakantiegeldregeling ooit werd uitgewerkt vaak helemaal niet eens bereikt.

(620 euro basisinkomen / 30 dagen in de maand) x 20 vakantiedagen = 413 euro. Dat gat moet dus (uitgaande van 20 vakantiedagen) opgevuld worden tijdens de andere actieve dagen. Komt neer op een bedrag van 34.5 euro per maand. Voor gelijk welke arbeider dus met gelijk welk loon. Dus m.a.w. eerder werd de vakantiegeldbijdrage van de werkgever al overgeheveld naar het brutoloon. Vervolgens wordt daar nog maar slechts 34.5 euro/maand van doorgestort naar de CBB en de rest kan de arbeider dan meteen zelf houden.

Wat de vakantiemaand betreft (er even vanuit gaande dat hij alle dagen achter elkaar opneemt) ontvangt de arbeider net zoals alle andere maanden 620 euro aan sociocheques. Uitgaande van 20 vakantiedagen daarbovenop nog eens een aantal dagen zijn arbeidersloon. Indien hij zich bovendien de gewoonte eigen gemaakt heeft om niet steeds al zijn sociocheques op te maken heeft hij daarin voldoende reserve over om daar in zijn vakantiedagen een eventueel tekort mee op te kunnen vangen.

Wat de bedienden betreft wiens loon gewoon doorloopt hoeft er uiteraard geen 34.5 euro per maand betaald te worden. Voor hen gebeurt er gewoon hetzelfde als de andere maanden en wordt het basisinkomen van hun doorlopend loon afgehouden en uitbetaald in sociocheques.

3. De werkloosheid.

Hier aangekomen werden alle werkloosheidsuitkeringen reeds met 620 euro per maand verminderd ten gunste van het basisinkomen en de werklozen ontvangen hier dus enkel nog het resterende bedrag van de RVA via de vakbond of hulpkas.

De huidige werklozen worden momenteel onderverdeeld in twee categoriën (die dan nadien nog eens verder worden opgedeeld in categoriën gezinstoestand). Er zijn de gewone werklozen en er zijn werklozen die 33 percent arbeidsongeschikt zijn en als dusdanig werden erkend door een RVA arts. Deze laatste categorie mag al naargelang de aard van hun mindervaliditeit bepaalde fysieke jobs weigeren. Dit zijn mensen met enige beperking en het is daarom niet onlogisch om hen nog het langste met rust te laten en eerst te beginnen met het afbouwen van de RVA rechten van de volledig arbeidsgeschikte werklozen.

Vooraleer verder te gaan eerst nog iets over de zg. degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen. Stemmen gaan nu reeds op om daarvan af te stappen o.a. omdat de hoge uitkeringen bij het begin van de werkloosheid de werkloze aanmoedigen om een soort van sabbatical te gaan nemen. Wanneer men al heel wat jaren dienst heeft is dit overigens ook niet geheel onbegrijpelijk, maar het is nefast voor de kansen op het vinden van een nieuwe job. Werkloosheid werkt immers als een stigma op het C.V. en niets anders wordt sollicitanten zo kwalijk genomen op de arbeidsmarkt als zg. gaten in het C.V. Een paar maandjes werkloosheid wordt nog wel vergeven maar vanaf een half jaar ongeveer begint het al en van daar uit gaat het van kwaad naar erger. Het komt er dus op aan dat de werkloze zo snel mogelijk weer terug aan de slag geraakt. Hoe langer het duurt hoe groter het risico wordt op een vicieuze cirkel van chronische werkloosheid.

Laten we nu diegenen die werkloos zijn op het moment dat het basisinkomen wordt ingevoerd hun uitkeringen gewoon verder laten verminderen zoals dat nu reeds gebeurt maar de werklozen die er van dan af nog bij komen meteen op het huidig minimumbedrag zetten én bovendien de werkloosheid vanaf dan ook beperken in de tijd en meer bepaald tot twee jaar. Men ontvangt dus vanaf dan van in het begin meteen hetzelfde bedrag dat heden het eindbedrag is en dat gedurende maximum twee jaar. Dat maakt ook dat we nog slechts drie uitkeringsbedragen over houden. Het bedrag voor de alleenstaande, voor de samenwonende en voor de samenwonende met gezinslast. Na twee jaar wordt men dan geschorst en komt men bij het OCMW terecht.

Naarmate dan de maatregelen van deel 3 voldoende levenskostverlaging hebben teweeggebracht kunnen we de maximale duur van de werkloosheid geleidelijk aan verder verminderen en uiteindelijk volledig wegreduceren en zo het recht op werkloosheidsuitkering laten uitdoven. Dit kan dan perfect omdat de OCMW uitkeringen slechts iets lager zijn, dezelfde gezinscategoriën kennen en nu wel afdoende zullen zijn. Behalve de 33 percent arbeidsongeschikten doven de RVA uitkeringen nu dus geleidelijk aan uit en komen de gerechtigden geleidelijk aan allemaal bij het OCMW terecht of indien het gaat om samenwonenden zelfs rechtstreeks op het basisinkomen omdat het basisinkomen even hoog is als een leefloon voor samenwonenden.

De VDAB blijft overigens bemiddelen inzake tewerkstelling. Deze uitbreiding van het werkterrein van de VDAB naar alle inactieven toe werd trouwens reeds in het Vlaams regeerakkoord van Jambon 1 ingeschreven. Er is ook nog een corrigerende financiële transfer nodig van de RSZ naar de POD MI omdat die nu meer leeflonen zullen moeten gaan verstrekken. Deze transfer zal toenemen naarmate we de andere RSZ uitkeringen verder afbouwen maar het totaal herverdeelde bedrag zal naarmate de hervorming zich verderzet wel aanzienlijk gaan afnemen omdat de leeflonen nu eenmaal lager zijn.

4. De mindervaliden.

Er werd hier bewust geöpteerd voor de brede term "mindervaliden" en het gaat voor alle duidelijkheid over de groep mensen die een fysieke of geestelijke beperking hebben en die nu verdeeld zijn over verschillende pijlers van onze SZ. Er zijn enerzijds de (tijdelijk) arbeidsongeschikten, en de invaliden die hun uitkering ontvangen van de RIZIV. Er zijn de mensen die een arbeidsongeval hadden en die hun uitkering ontvangen van FEDRIS. En dan zijn er nog de 33 percent arbeidsongeschikten die onder de werkloosheid en dus de RVA vallen.

Wat nu de kern van de zaak is in deze verhandeling is het gegeven dat deze mensen door hun hoedanigheid een hogere levenskost kunnen hebben. Ook hun uitkeringen zijn in deze fase bovendien reeds verminderd met 620 euro en omgezet in de sociocheques van het basisinkomen. We hebben heden echter twee teams van controleartsen die de al of niet gedeeltelijke invaliditeit al of niet bevestigen. Er zijn de RIZIV controleartsen en de RVA controleartsen.

Bedoeling is nu om deze mensen net zoals de werklozen ook op het OCMW leefloon te brengen en hen daar een recht te geven op wat dan verder een zorgsurplus genoemd zal worden en dat hun verhoogde levenskost eigen aan hun hoedanigheid kan dekken. Die verhoogde levenskost is erg variabel en om deze te bepalen kan voortaan een beroep gedaan worden op plaatselijke beëdigde controleartsen (huisartsen). Voor alle duidelijkheid zou het er dus op neerkomen dat deze mensen dan zoals iedereen een basisinkomen zullen hebben. Tenzij ze samenwonend zijn daarbovenop voorlopig nog een stuk leefloon. En daarbovenop nog een door de controlearts bepaald zorgsurplus.

Wat de 33 percent arbeidsongeschikten betreft kan dit eveneens vastgesteld worden door de lokale controleartsen en resulteren in een attest dat invloed heeft op hun verplichting bij het OCMW om werk te zoeken. Dat ze dus net zoals daarvoor door hun beperking niet volledig vrijgesteld worden van werk zoeken maar sommige jobs waarvoor ze ongeschikt zijn mogen weigeren.

Moeten we het nog even hebben over de tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Deze mensen kunnen voorlopig ook nog een leefloon gaan aanvragen bij het OCMW en krijgen dit toegekend op basis van een ziekenattest van de plaatselijke controlearts. Diezelfde controlearts kan eventueel ook aangeven dat ze een tijdelijk zorgsurplus nodig hebben.

Wanneer deze hervorming is doorgevoerd kan de laatste bij de RVA daar alvast het licht uitdoen een aangezien er geen werkloosheidsuitkeringen meer bestaan hoeven er verder ook geen subsidies meer te bestaan voor de uitbetalingsinstellingen van die uitkeringen.

Bij de RIZIV blijft de dienst die zich bezig houdt met de terugbetaling van de medische verzorging hetzelfde. Maar ook op de dienst uitkeringen doen we het licht uit en wat hun controleartsen betreft kunnen we voortaan ook verder werken met de plaatselijke beëidigde controleartsen. Aangezien er geen RIZIV uitkeringen meer bestaan bestaan er vanaf nu ook geen subsidies meer voor de erkende uitbetalingsinstellingen van die uitkeringen.

5. Het OCMW.

Tegen dat we zover zouden zijn hebben de maatregelen van deel 3 nog meer hun werk kunnen doen en dus kunnen we de leeflooncategorie alleenstaande afschaffen. Vervolgens hoeven ook al deze mensen niet meer aan te kloppen bij het OCMW (tenzij voor een zorgsurplus) en kunnen ze verder met het basisinkomen. Bovendien hebben ze tal van mogelijkheden om zich boven dit spartaans minimuminkomen uit te werken dankzij de tewerkstellingsmaatregelen beschreven in deel 3. En bovendien kunnen ze gaan samenwonen om kosten te delen. We moedigen dat vanaf nu immers aan in plaats van het te ontmoedigen. We vervingen de gezinsdrempel door een kluizenaarsdrempel!

Blijft er nog over de categorie samenwonenden met gezinslast. Momenteel komt het erop neer dat wie minstens 1 kind ten laste heeft een leefloon heeft dat 326 euro hoger ligt dan het leefloon van een alleenstaande. laten we dat bedrag van 326 euro nu een ouderschapsloon gaan noemen en dat diezelfde mensen dus ook nog kunnen bekomen via het OCMW en waardoor ze dat voordeel op die manier dan nog behouden. Wat ik op termijn dan verder voorstel is om het bedrag van 166 euro basisinkomen voor kinderen geleidelijk aan omhoog te werken naar 250 a 300 euro en daaraan gepaard gaande dit ouderschapsloon dan weer weg te werken. Eigenlijk is het toch ook niet eerlijk en proportioneel dat men nu zowel voor één kind als voor zes kinderen hetzelfde bedrag van 326 euro ontvangt.

Wat het leefloon betreft zitten we wel nog met één overblijvende groep van rechthebbenden die we zeker niet over het hoofd mogen zien en dat zijn de gepensioneerden die geen recht hebben op een minimumpensioen. Hoe we voor deze groep het OCMW overbodig maken wordt besproken in punt 6 hieronder.

En daarmee is het leefloon dan ook volledig verdwenen maar het OCMW zal wel moeten blijven bestaan. Een basisinkomen kan immers wel een gegarandeerde en universele inkomensbasis leggen maar kan geen rekening houden met specifieke individuele noden. Werklozen zullen niks meer te zoeken hebben bij het OCMW. Mindervaliden echter wel voor een eventueel zorgsurplus en mensen met kinderen voorlopig nog voor een ouderschapsloon en dit uiteraard enkel indien zij geen ander inkomen hebben. In latere instantie kunnen er eventueel nog altijd specifieke tegemoetkomingen voor bepaalde doelgroepen voorzien worden via het OCMW als zijnde het enige overgebleven instrument voor voorwaardelijke en doelgroepgerichte sociale zekerheid.

6. De pensioenen.

Om te beginnen voor wie het niet zou weten of opfrissing nodig heeft ...

1e pensioenpijler : Het zg. wettelijk pensioen. Door de overheid georganiseerd en verplicht pensioenstelsel. Werkt volgens het overslag-of repartitiestelsel waarbij de huidige actieven de huidige pensioenen financieren via hun RSZ bijdragen.

2e pensioenpijler : Het zg. aanvullende pensioen. Door de werkgever collectief georganiseerd pensioensparen dat werkt volgens kapitalisatie en waarbij de afgedragen bedragen door een particulier pensioenfonds of verzekeraar belegd worden en uiteindelijk als rente terug worden uitgekeerd in wat men dan een aanvullend pensioen noemt. Meestal kan men ook kiezen voor een eenmalige premie en soms ook een combinatie van een premie en rente. Dit pensioen in in principe vrij maar voor werknemers defacto vaak toch eigenlijk verplicht. Voor de werkgever zijn de pensioenbijdragen immers uitgesteld loon waarop minder belasting betaald worden. Op die manier moedigt de overheid het aanvullend pensioensparen ook aan.

3e pensioenpijler : Eveneens zg. aanvullende pensioen. Individueel en vrijwillig pensioensparen dat werkt volgens kapitalisatie en waarbij de afgedragen bedragen door een particulier pensioenfonds of verzekeraar belegd worden en uiteindelijk als rente terug worden uitgekeerd in wat men dan een aanvullend pensioen noemt. Meestal kan men ook kiezen voor een eenmalige premie en soms ook een combinatie van een premie en rente. De pensioenbijdragen zijn fiscaal aftrekbaar. Op die manier moedigt de overheid het aanvullend pensioensparen aan.

4e pensioenpijler : Dit kunnen aandelen zijn of bvb. vastgoed.

Enkel de 1e pensioenpijler oftewel het wettelijk pensioen belangt ons hier aan omdat dit de enige pensioenpijler is die binnen ons huidige RSZ stelsel valt. Met de rest van de opgebouwde pensioenrechten hebben we (gelukkig) niks te maken. We moeten het daarbij eerst hebben over het zg. wettelijk minimumpensioen.

6.1. Wettelijk minimumpensioen.

De huidige regeling minimumpensioen is weer typisch naar ons SZ model zodanig ingewikkeld dat een kat er haar eigen jongen niet meer in vindt. Niet iedereen heeft recht op een minimumpensioen. Maar wie er dan geen recht op heeft heeft nog wel recht op een bijpassing naar het bedrag van het leefloon. Stel nu dat iemand heden bvb. 400 euro pensioen heeft en geen recht op een minimumpensioen dan kan die bij het OCMW een bijpassing van 528 euro ( voor een alleenstaande) bekomen zodat diens inkomen dan gelijk is aan het leefloon.

Aangezien men dus als bejaarde eigenlijk zowiezo toch recht heeft op het bedrag van het leefloon en aangezien dat dan toch uit belastingen betaald moet worden kunnen we net zo goed het basisinkomen voor bvb 65+ vastleggen op het bedrag van het leefloon (920 euro) en zodoende wordt dan meteen de laatste groep die aanspraak kon maken op het leefloon ook overgebracht naar het nieuwe sociaal stelsel. Ouderdom kan bovendien een vorm van mindervaliditeit impliceren en van daaruit kan dan ook, in geval van een hogere levenskost door toedoen van beperkingen nog steeds een zorgsurplus aangevraagd worden bij het OCMW, net zoals de invaliden dat kunnen doen. Tot slot nog opmerken dat alle door het oude systeem opgebouwde wettelijke pensioenrechten nu door het basisinkomen 65+ niet langer met 620 euro maar met 920 euro verminderd kunnen worden.

De huidige regeling wettelijk minimumpensioen blijft overigens gewoon bestaan. Het huidige wettelijke minimumpensioen bedraagt ongeveer 1250 euro. Dat bedrag zou dan wel veranderen in 330 euro plus 920 euro basisinkomen in sociocheques.

6.2. De overige wettelijke pensioenen.

Wat de andere wettelijke pensioenrechten betreft, de wettelijke pensioenrechten die hoger liggen dan het minimumpensioen geldt dezelfde rekenwijze. Stel dat iemand bvb recht heeft op een wettelijk pensioen van 2000 euro dan wordt dit 1080 euro plus 920 euro basisinkomen.

4. Het uitdoven van de wettelijke pensioenrechten.

We weten intussen allemaal al wel dat de vergrijzing ons pensioenstelsel danig onder druk zet. Dit betreft echter enkel het wettelijk pensioen omdat dit functioneert volgens het overslagstelsel. Op de andere pensioenen heeft de vergrijzing geen effect (op een paar uitzonderingen na die ik niet behandel omdat deze verhandeling dan veel te lang zou worden). De negatieve impact van de vergrijzing wordt geacht te pieken rond omstreeks 2040 en daarna terug af te nemen.

Ook door het overslagstelsel van de eerste pensioenpijler moeten we pensioenrechten eigenlijk incalculeren als staatsschulden of pensioenschulden. Deze schulden overtreffen bovendien verre de gewone staatsschulden. Volgens een artikel van De Tijd van 15/06/2017 bedroegen deze pensioenschulden anno 2015 niet minder dan 1.557 miljard euro oftewel 379 % BNP. Ter vergelijking ... onze gewone staatsschulden bedragen "slechts" 105 % BNP oftewel 419 miljard euro.

Het nieuwe sociaalzekerheidsstelsel overigens is gedeeltelijk een kapitalisatiestelsel en gedeeltelijk een overslagstelsel. Wat betreft het gedeelte van de werkgeversbijdragen die men niet terug krijgt is het een overslagstelsel. Maar wat betreft het persoonlijk tegoed dat men erin opspaart door wat men overhoudt van een aan zichzelf uitbetaald basisinkomen, is het een kapitalisatiestelsel. Het overslagaandeel erin zal bij de start groot zijn maar sterk afnemen naarmate we het oude sociaalzekerheidsstelsel afbouwen en naarmate er door een gezonde economie en het niet verlammende en prikkelende karakter van het nieuwe sociaalzekerheidsstelsel meer mensen aan de slag geraken en dus ook zelf hun eigen basisinkomen gaan financieren. Anderzijds dan weer zal het overslagaandeel erin nog even blijven oplopen naar 2040 toe door de pensioenschulden en pas daarna ook wat dat betreft kunnen gaan afnemen. Globaal gezien zal het overslagaandeel afnemen maar een niet gering gedeelte van die goed nieuws show zal helaas nog lange tijd teniet gedaan worden door de slechts heel traag uitstervende pensioenschulden. Bovendien blijven er ook nog de medische kosten die onmogelijk via een kapitalisatiestelsel te financieren zijn en dus ook altijd overslagaandeel zullen blijven. Daarnaast is er nog de werking van de enige overgebleven voorwaardelijke SZ pijler zijnde het OCMW.

Wat het verdere verloop betreft van de pensioenschulden dient ook nog opgemerkt te worden dat wanneer we hier aangekomen zouden zijn en waarbij dus al het bovenstaande doorgevoerd zou zijn het toekennen van nieuwe toekomstige pensioenrechten vanuit de RSZ bijdragen stopgezet moet worden. Dat kan ook omdat men voortaan in het basisinkomen pensioenrechten opbouwt. Eigenlijk komt er nog een pensioenpijler bij. De eerste pijler wordt nu het basisinkomen. De wettelijke pensioenrechten zijn dan de tweede pijler. Maar die sterft geleidelijk aan uit naarmate de rechthebbenden uitsterven. En hetgeen men overhoudt op de sociochequerekening wordt dan een derde pijler. Vervolgens kunnen daar al of niet de andere nu bestaande pijlers nog bovenop komen al naargelang men individueel de keuze gemaakt heeft zich hierin te engageren.

Om nog even concreter te schetsen hoe de pensioenschulden op lange termijn afbetaald zullen geraken nemen we als voorbeeldcase een jongeman die 25 is op dit punt van de afronding van de hier beschreven SZ hervormingen. Laten we zeggen dat we dan in het jaar 2025 belandt zijn. In 2020 is deze jongeman beginnen werken. Gedurende 5 jaar betaalde hij dus nog volgens het huidige SZ stelsel pensioenbijdragen. Daarmee bouwde hij rechten op die geacht worden hem laten we zeggen in het jaar 2065 toe te beginnen vallen. Dat stopt echter nu. Vanaf nu bouwt hij dus geen bijkomende pensioenrechten meer op in het oude (huidige) stelsel maar nog enkel in het nieuwe stelsel in de vorm van wat hij overhoudt van zijn basisinkomen. De twee stelsels zullen dus wat de pensioenen betreft onvermijdelijk nog geruime tijd door elkaar moeten blijven lopen. Als deze jongeman 65 is zal hij ( indexatie even buiten beschouwing gelaten ) een basisinkomen beginnen ontvangen van 920 euro. Daarbovenop een pensioen uit het oude stelsel navenant zijn bijdragen gedurende vijf jaar. Daarbovenop wat hij eventueel zelf nog aan pensioensparen gedaan heeft op de vrije markt en daarbovenop beschikt hij uiteraard over zijn saldo dat hij opgespaard heeft op zijn sociochequerekening. Pas als deze man bvb in het jaar 2090 overlijdt zal wat hem betreft die oude pensioenstaatsschuld afbetaald zijn. Pas in de 22e eeuw zullen we inderdaad pas volledig van dit debacle verlost zijn tenzij er initiatieven genomen zouden worden om die pensioenstaatsschulden vroeger in te lossen. Dat zou bvb kunnen door de man uit het voorbeeld zijn tegoeden nog voor 2065 om te zetten in krediet op zijn sociochequerekening. Men zou daarbij met de jongste mensen kunnen beginnen die het minst lang bijdragen betaalden in het oude stelsel en zo stilaan in leeftijd en bijdragenduur omhoog kunnen werken. In ieder geval kan dit collectief pensioenplan niet verweten worden om een lange termijnvisie te ontberen. Iets dat van de architecten van ons huidige stelsel helaas wel gezegd moet worden én wat dan ook de hoofdoorzaak is van ons hedendaags probleem.

Thierry J Wlazlak

Laatst bijgewerkt op 16/12/2019

Net wanneer u onlinedating had opgegeven ...

Afbeelding

Datinggala.com

Allerlei

Survivalisme

English

In de kijker